Suïcidaliteit bij jongeren: wat kun je als professional doen?

Publicatietype: Interview

Published on

In 2025 overleden in Nederland 70 tieners door zelfdoding. En de groep jongeren die met gedachten aan de dood rondloopt is nog vele malen groter: ongeveer 1 op de 5 jongeren denkt weleens aan suïcide. Hoe herken je als professional dat er meer speelt? Wat doe je als een jongere zegt: ‘Ik wil niet meer leven’? En wanneer schakel je extra hulp in?

Kinder- en jeugdpsychiater Emmelieke de Haan van Levvel houdt zich in haar werk veel bezig met suïcidaliteit bij jongeren. Ze is onderdeel van het expertiseteam en geeft binnen Levvel suïcidepreventietrainingen aan professionals. En 1 ding komt daarin steeds terug: vraag ernaar. Want suïcidepreventie begint bij het durven aangaan van het gesprek.

Suicidaliteit bij jongeren: wat weten we?

Suïcidaliteit onder jongeren is een serieus en complex probleem. Waar suïcidaliteit onder andere leeftijdsgroepen afneemt, ziet Emmelieke onder jongeren van 12 tot ongeveer 20 jaar een stijgende trend. Uit cijfers waar zij naar verwijst, blijkt bovendien dat ongeveer 20 procent van de jongeren weleens aan de dood denkt. 

Achter suïcidaliteit zit zelden 1 oorzaak. “Het is altijd multi,” volgens Emmelieke. “Pesten, problemen op school of thuis, emotionele problemen, falende hulpverlening, de invloed van social media, middelengebruik en trauma kunnen allemaal een rol spelen. Ook LHBTIQ+ jongeren vormen een kwetsbare groep.” Bij acute suïcidaliteit kan een ingrijpende gebeurtenis bovenop een bestaande kwetsbaarheid komen. Emmelieke: “Een jongere kan dan zo klem komen te zitten dat er een tunnelvisie ontstaat: de dood lijkt dan de enige oplossing”. 

Juist daarom is vroegsignalering en preventie zo belangrijk: als je veranderingen opmerkt en tijdig het gesprek aangaat, kun je eerder zicht krijgen op wat er speelt en samen met een jongere onderzoeken wat nodig is. Maar hoe pak je dat als professional concreet aan?

Suïcidepreventie begint vóór de crisis

Preventie gaat niet alleen over wat je doet wanneer er acuut gevaar is. Het begint eerder: veranderingen opmerken, vragen stellen, luisteren en samen onderzoeken wat er speelt. Emmelieke deelt 4 praktische handvatten die kunnen helpen:

  1. Durf te vragen
  2. Blijf luisteren
  3. Overleg en schaal op
  4. Kijk ook naar de online wereld

1. Je vermoedt dat er iets speelt: durf te vragen

Een jongere trekt zich terug, gedraagt zich anders dan normaal of lijkt opeens somber, gespannen of juist opvallend opgewekt. Is dat een signaal van suïcidaliteit? Volgens Emmelieke is juist dát een moment om het gesprek aan te gaan: “Dat is eigenlijk het allerbelangrijkste: dat je ernaar vraagt. Een jongere kan misschien best wel even denken: ik voel me niet zo goed in mijn vel. Maar als je dan vraagt: ‘Denk je weleens aan zelfmoord?’ Dan weet je het.”

Toch vinden professionals het soms lastig om die vraag te stellen. Dat merkt Emmelieke ook in de suïcidepreventietraining die zij binnen Levvel geeft. Wat als de jongere ‘ja’ zegt? En breng je iemand niet juist op ideeën? Dat laatste is volgens Emmelieke een misverstand: “Je geeft ze daarmee niet opeens een idee. En als ze die gedachten wel hebben, kan het soms juist een opluchting zijn dat iemand er daadwerkelijk naar vraagt en ontstaat er ruimte om er iets over te delen.”

2. Een jongere zegt: ‘Ik wil niet meer leven’: blijf luisteren

Wat doe je als een jongere zegt dat hij of zij niet meer wil leven? Een gedachte aan de dood betekent niet automatisch dat iemand op dat moment een concreet plan heeft. Emmelieke: “Het is belangrijk om eerst goed naar de jongere te luisteren en niet direct in paniek te raken, maar gewoon te horen: wat is er aan de hand? Wat speelt er dan?”

Dat helpt een jongere vaak om meer zicht krijgen op de eigen gedachten en gevoelens: “Wat gebeurde er dat de jongere deze gedachte kreeg? Als je dat wat beter begrijpt, dan kun je misschien ook weer met de jongere meedenken over: hoe kan je dat anders oplossen?”

Betrek het systeem

Ouders en andere opvoeders zien een jongere dagelijks en zijn een belangrijke informatiebron en steunende factor: “Je vraagt bij het kind, maar ook bij de ouders: hoe gaat het nu? En dan kijk je of je daar ook verder mee zou kunnen helpen. Ook school kan een belangrijke plek zijn voor vroegsignalering.”

Wil een jongere liever niet dat ouders worden geïnformeerd, bespreek dan waarom. Emmelieke: “Bij acute dreiging kan – of eigenlijk moet! - je vanwege een conflict van plichten het beroepsgeheim doorbreken en ouders informeren. Maar ook wanneer er geen acute dreiging is, kan het helpen om met de jongere te bespreken waarom die niet wil dat ouders worden betrokken en hoe je hen eventueel samen kunt informeren”.

3. Je twijfelt over de vervolgstap: overleg en schaal op

Een derde situatie die professionals lastig vinden, is bepalen wanneer aanvullende hulp nodig is. Wanneer kun je zelf verder? Wanneer overleg je met een collega? Wanneer moet je opschalen? Volgens Emmelieke is het juist in die twijfel belangrijk om er niet alleen voor te staan: “Het is goed om altijd te overleggen als je daarover twijfelt met je collega of een BIG-geregistreerd iemand in je team. Je kunt ook contact opnemen met ons expertisecentrum, dan kunnen we meedenken.”

Het signaleringsplan als praktisch hulpmiddel

Een signaleringsplan kan helpen om eerder in te grijpen voordat de situatie escaleert. Het geeft de jongere en de professional samen een concreet beeld van wat er gebeurt wanneer spanning oploopt en wat dan helpend kan zijn. Emmelieke: “Het is belangrijk om dat ook echt samen met de jongere in te vullen. Dus niet voor de jongere, maar ook echt samen.”

4. Kijk ook naar de online wereld

De leefwereld van jongeren speelt zich niet alleen offline af. Ook op social media kan van alles gebeuren wat invloed heeft op hoe een jongere zich voelt. Jongeren kunnen elkaar online beïnvloeden, en daar is vaak weinig zicht op. Emmelieke: “Een eenvoudige vraag kan al helpen om meer zicht te krijgen op de leefwereld van een jongere: ‘Hoe was je dag op social media vandaag?’ Stel die maar eens aan je kind. Of, als professional in de behandeling: ‘hoe was het deze week op de socials?’”

Het doel is niet om social media als oorzaak van suïcidaliteit aan te wijzen, maar om beter te begrijpen wat een jongere online meemaakt en hoe dat van invloed kan zijn.

Ervaringskennis: als je het zelf hebt meegemaakt

Naast professionele kennis levert ook ervaringskennis een belangrijke bijdrage aan suïcidepreventie. Binnen Levvel werken ervaringsprofessionals onder meer mee in het expertiseteam en op de crisisgroep voor jongeren. Jongeren die daar worden opgenomen vanwege suïcidaliteit kunnen daardoor ook in gesprek met iemand die zelf heeft meegemaakt wat zij ervaren. 

Volgens Emmelieke kan juist dat perspectief een ander soort gesprek mogelijk maken: “Ik denk wel dat je dan een ander gesprek kan voeren en dat het soms echt wel helpend is om weer een stapje verder te komen in bijvoorbeeld wel of niet delen van bepaalde gevoelens of gedachten die je hebt, omdat je dan met iemand spreekt die dat ook heeft meegemaakt.”

Vergeet jezelf als professional niet

Suïcidaliteit raakt ook professionals. Het overlijden van een jongere heeft altijd grote impact op een team. Emmelieke: “Als het gebeurt, dan is dat gewoon heel ingrijpend. Dat houd je echt wel even bezig.”

Er is veel aandacht voor nazorg binnen Levvel en het is ook cruciaal om goed voor jezelf te zorgen: “Het is belangrijk om te bekijken: hoe ga ik hier het beste mee om? Iedereen heeft daar natuurlijk zijn eigen manieren voor. Ik vind het fijn om even te sporten of erover te praten met mijn collega's. Het is belangrijk om aandacht voor dit stuk te hebben,” vindt Emmelieke. En dat geldt niet alleen nadat het misgaat: “Alleen al een gesprek hierover voeren kan best wel lastig zijn en wat van jezelf vragen. Dus zorg ook goed voor jezelf, om er voor de jongeren te kunnen zijn.”

Meer weten?

Lees meer rondom dit onderwerp op de themapagina Suicidaliteit

Hulp of advies nodig? 113 Zelfmoordpreventie is dag en nacht bereikbaar via 113 of gratis 0800-0113. Bij direct levensgevaar bel je 112.